Financieringskosten zijn de kosten die voortvloeien uit het bezit van productiemiddelen.

De financieringskosten bestaan uit de interest (of rente) die in de kostprijs van een product moet worden opgenomen.

De financieringskosten stellen de bedrijfsleiding voor de volgende vraagstukken:

  1. de hoogte van de ingecalculeerde interest
    De interestkosten die in de kostprijsberekening terecht moeten komen, betreffen niet alleen het vreemd vermogen maar ook het eigen vermogen. Het eigen vermogen had immers buiten het bedrijf ook een renteopbrengst kunnen verkrijgen. Vaak stelt men ingecalculeerde interest gelijk aan het rendement op staatsleningen met een resterende looptijd van minder dan vijf jaar.
  2. de duur van het vermogensbeslag
    De interestkosten moeten verband houden met de lengte van de periode dat beslag wordt gelegd op vermogen.
  3. de grootte van het vermogensbeslag
    Het vermogen dat in een bedrijf is geĻnvesteerd, verandert voortdurend.

Voorbeeld
Een duurzaam productiemiddel heeft een economische levensduur van vijf jaar. De aanschafwaarde is € 50.000. De residuwaarde € 5.000. De rentekosten van dit duurzame productiemiddel bedragen 8% per jaar, berekend over het gemiddeld in dit duurzame productiemiddel geĻnvesteerd vermogen.
De jaarlijkse interestkosten die voortvloeien uit het gebruik van dit duurzame productiemiddel berekenen we als volgt.

gemiddeld geĻnvesteerd vermogen =   €50.000 + €5.000   = € 27.500
2

interestkosten = 0,08 × € 27.500 = € 2.200 per jaar