Constante kosten zijn kosten die afhankelijk zijn van de gekozen productiecapaciteit.

In plaats van constante kosten wordt ook wel gesproken van vaste kosten.

Omdat constante kosten samenhangen met de gekozen productiecapaciteit noemen we deze kosten ook wel capaciteitskosten.

Voorbeelden
- huisvestingskosten (afschrijving en onderhoud gebouw)
- interestkosten
- kosten van bedrijfsleiding en administratie

Omdat de productiecapaciteit in de regel niet op korte termijn is uit te breiden, blijven de constante kosten gedurende een bepaalde periode op hetzelfde niveau (behoudens prijsstijgingen).
Ook wanneer de werkelijke afzet kleiner is dan de maximale, blijven de constante kosten gelijk. Inkrimping of uitbreiding zijn processen die tijd vergen. Het afstoten of overnemen van bedrijven en het werven van nieuw personeel of juist personeel ontslaan, zijn acties die niet op korte termijn zijn uit te voeren. Uitbreiding (of inkrimping) van de productiecapaciteit leidt ertoe, dat de constante kosten in één keer op een hoger (of lager) niveau komen te liggen. Hierdoor veranderen de constante kosten sprongsgewijs. In de figuur is dat weergegeven.


We zien in de figuur, dat wanneer de onderneming de capaciteit vergroot van capaciteit I  naar capaciteit II , de vaste kosten op een hoger niveau komen te liggen. Wanneer de productie binnen de gekozen capaciteitsgrenzen varieert - bijvoorbeeld van naar - veranderen de totale constante kosten echter niet. Bij een groei van productieniveau B naar C is een uitbreiding van de capaciteit nodig en hebben we met hogere constante kosten te maken.