Veel ontwikkelingslanden kampen met grote schulden aan het buitenland. Wanneer deze landen een groot deel van hun exportinkomsten moeten besteden aan de verplichtingen die uit deze schuld voortvloeien¸ komt hun verdere ontwikkeling in gevaar.

Bij internationaal opgenomen gelden zijn in de regel van de kredietverstrekker dollars geleend en moeten interest en aflossingen ook met dollars worden voldaan. Landen (bedrijven) verdienen deze dollars door goederen en diensten op de wereldmarkt te verkopen. De exporten moeten dan per saldo wel groter zijn dan de importen. Met andere woorden: omdat rente- en aflossingsbetalingen op internationale leningen leiden tot een tekort op de inkomensrekening en de financiële rekening van de betalingsbalans¸ zal de goederenrekening hiervan een voldoende groot overschot moeten laten zien.

Onder de schuldencrisis verstaan we de problemen die na 1982 ontstonden toen de stroom van vooral particulier kapitaal naar ontwikkelingslanden zo sterk verminderde¸ dat de geldstroom die samenhangt met aflossingen en rentebetalingen op lopende schulden groter werd dan de ingaande geldstroom. Het gevolg was dat het ene ontwikkelingsland na het andere de schuldverplichtingen niet meer nakwam.

Internationale instellingen als het Internationale Monetaire Fonds en de Wereldbank hebben meegewerkt aan het verminderen van de schuldenproblematiek: deze instellingen zijn steeds meer voorwaarden gaan stellen aan het ter beschikking stelen van nieuwe leningen. Het ontvangende land moet de economie zo gaan inrichten dat de betalingsbalans evenwichtiger wordt.

Nog steeds leggen opgenomen leningen een zware claim op de economie van vooral de allerarmste landen.