De omloopsnelheid van geld is het aantal malen dat een bepaalde hoeveelheid geld gedurende een periode voor transacties is gebruikt.

Door oppotten daalt de omloopsnelheid van geld. Een daling van de omloopsnelheid wijst erop dat er minder transacties plaatsvinden. Dat leidt tot minder productie¸ minder bedrijvigheid en minder werkgelegenheid.

Het tegengestelde van oppotten is ontpotten: elke geldeenheid doet dan sneller dienst voor de volgende transactie. De omloopsnelheid van het geld stijgt. Men wil dan zijn geld graag uitgeven¸ maar als er niet voldoende producten te koop zijn¸ leidt die kooplust alleen maar tot hogere prijzen: inflatie.